Vluchtelingen voor de klas: ‘Kinderen zijn hier brutaler, maar dat is juist goed’

791

Haar donkerbruine ogen steken scherp af tegen haar helwitte hoofddoek. Hala Khalouf (34) komt uit Aleppo, maar vandaag staat ze voor groep 6, 7 en 8 in Amsterdam Nieuw-West. Haar Nederlands is niet altijd even vlot, want over elk woord denkt ze na. Maar ze maakt liever een fout bij het praten, dan dat ze iets níet zegt.

‘Ik weet veel van de aarde, en van het milieu’, vertelt Hala de klas. ‘Raad eens wat ik ben?’ Een jongetje steekt zijn hand op: ‘Biologiejuf?’ Hala schudt haar hoofd. Een andere hand gaat de lucht in: ‘Je hebt vorige keer al verteld wat je beroep was. Juf aardrijkskunde.’ Hala lacht. ‘Oh, slim kind.’

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

‘Kinderen zijn hier brutaler, maar

Jarenlange ervaring

Hala doet mee aan een proef met tien gevluchte docenten in Amsterdam. Die lopen drie maanden stage op een basisschool en krijgen daarbij ook taal- en onderwijstraining. Uiteindelijk is de bedoeling dat ze zelfstandig aan de slag kunnen als onderwijsassistent of zijinstromer.

Terwijl Hala voor groep 6, 7 en 8 staat, zit Gyulizar Yusein Mehmed (42) tussen de kleuters. Voor haar een nieuwe ervaring: in haar thuisland Turkije werkte ze als middelbare schooldocent. ‘Je moet ergens beginnen’, glimlacht ze, waarna ze zich voorover buigt om een kleuter met een rekenoefening te helpen.

Hala en Gyulizar hebben allebei jaren ervaring met lesgeven in hun land van herkomst. Hun hart ligt in het onderwijs, vertellen ze in de lerarenkamer van basisschool De Toekomst. ‘Toen ik 3 was, zei ik al dat ik docent wilde worden’, zegt Gyulizar. ‘Het is moeilijk om hier weer mijn beroep uit te oefenen, vooral met de taal. Maar ik wil een goed voorbeeld zijn voor mijn kinderen.’ Haar kinderen – 17, 13 en 4 jaar oud – spreken thuis onderling al Nederlands, zegt Gyulizar trots. ‘Ik begrijp ze dan nog niet altijd.’

De twee zien grote verschillen tussen het onderwijs in hun thuislanden en Nederland. ‘Kinderen zijn hier brutaler’, zegt Hala. ‘Maar dat is juist goed. Ze krijgen de vrijheid om hun eigen mening te geven.’ Gyulizar, lachend: ‘Er is wel meer lawaai in de klas.’

Complimenten

Hala is vooral blij met de kleinere klassen (‘In Syrië heb je klassen van 35 kinderen’) en alle beschikbare spullen, zoals digiboards. ‘Dat laat zien dat Nederland in kinderen wil investeren, en dat is goed. Zo’n investering levert niet direct geld op, maar je zorgt wel voor het beter maken van de samenleving.’ Net voor de oorlog in Syrië stimuleerde de overheid ook daar nieuwe manieren van lesgeven, zegt Hala, ‘Maar ja, toen ging alles kapot. Ik had ideeën, zoals een geschiedenisles als rollenspel. Mijn collega’s daar vonden het maar raar. Hier in Nederland kan ik het weer gaan proberen.’

Hala en Gyulizar hebben vandaag een opdracht: ze moeten complimentjes opschrijven die docenten aan hun leerlingen geven. Gyulizar laat haar schrift zien: ‘Wat heb je mooi gekleurd! Wat zit je goed op de stoel!’, staat er. Zo leren ze zowel iets over de taal als het onderwijs, zegt Vivianne Spruit, oprichter van Het Schoolbureau, een organisatie die zich richt op zijinstromers in het onderwijs. Zij ontwikkelde samen met de Stichting Openbaar Basisonderwijs Westelijke Tuinsteden het statushoudersproject. ‘Ik word er ontzettend vrolijk van’, zegt Spruit. Ze kan de voordelen zo opnoemen: de statushouders integreren in de Nederlandse samenleving, krijgen de kans hun oude beroep uit te oefenen, en dragen bij aan diversiteit in schoolteams. ‘Dat is belangrijk, zodat we op school van en met elkaar kunnen leren.’

Superman

De volgende ochtend zitten Hala en Gyulizar zelf in de klas als leerlingen, samen met acht andere statushouders. In de hele groep zitten slechts twee mannen. Ze krijgen uitleg van Nederlandse docenten, die het midden proberen te houden tussen simpel vertellen, en blijven praten op het niveau van volwassenen. Ze staan hier immers tegenover een groep universitair geschoolde mensen, wier verschil met hen alleen de taalbarrière is.

De les gaat vandaag over de complimenten die de statushouders gisteren op ‘hun’ scholen verzameld hebben. ‘Kanjer, dat betekent superman!’ zegt een van de Nederlandse docenten. Hij kijkt guitig naar de Turkse Mehmet en zegt: ‘Als Mehmet niet goed kan rekenen, maar het toch probeert, is hij een..?’ ‘Kanjer!’, vult de klas olijk aan. ‘Precies’, zegt de docent. ‘Want je geeft complimenten niet alleen als iemand het goed doet, maar ook als hij zijn best doet. Heeft iemand nog een voorbeeld?’ Een jonge vrouw staat op en schrijft op het bord: ‘Duimpje omhoog’.

In de koffiepauze vertellen klasgenoten Kholoud (34) en Mehmet (29) dat ze dolblij zijn met het project: ‘Vijf dagen per week lesgeven en les krijgen, plus huiswerk. En elke dag is anders,’ zegt Mehmet. Hij vluchtte om politieke redenen uit Turkije, waar hij op een middelbare school lesgaf.

Extra lessen thuis

Kholoud Alkhateeb, die acht jaar lesgaf op een basisschool in het Syrische Damascus, vindt het leuk dat in haar klassen ‘alle kinderen door elkaar zitten. Verschillende nationaliteiten, van Marokkaans tot Portugees. En dat is allemaal geen probleem.’ Net zoals Hala en Gyulizar is het haar opgevallen dat Nederlandse kinderen niet op hun mondje gevallen zijn. ‘De kinderen hebben de vrijheid, de ruimte, om altijd te zeggen wat hun gevoelens zijn’, zegt ze.

Dat begint bij de kinderen van Hala en Gyulizar ook te spelen. De twee geven hun kinderen thuis extra lessen, vertellen ze. ‘Mijn dochter van vier wil niet geloven dat ik hier in Nederland nu ook juf ben’, lacht Gyulizar. ‘Helemaal niet, zegt ze dan.’ Hala loopt er tegenaan dat haar kinderen haar soms voorbij beginnen te streven. ‘Ze corrigeren mijn Nederlands. Nee mama, het is ‘nul’, niet ‘noel’, hoor ik.’ Ze glundert. 

Bron:Volkskrant